Carlo l’Ami: keepers' keeper

Carlo l’Ami: keepers' keeper

Alleen keepers begrijpen keepers. Gelukkig was Carlo l’Ami zelf keeper voor hij keeperstrainer werd. Zijn eigen talent was niet zo groot als de talenten die hij nu bij Ajax beter maakt.


Carlo l’Ami houdt zich op de vlakte als hem gevraagd wordt naar de specifieke sterke punten van de respectievelijke keepers die hij nu onder zijn hoede heeft bij Ajax. ,,Ze zijn allemaal op hun eigen manier goed", ontwijkt hij vriendelijk. Waarin de één verschilt van de ander wordt door l’Ami niet uitgelegd. Zijn gedachtegang is ongeveer als volgt: als je de sterke punten van de één noemt, noem je automatisch de minder sterke punten van de ander. En daar waagt l’Ami zich liever niet aan. Zijn pupillen bleken kwetsbaar. Maarten Stekelenburg kampte al een tijd met een schouder- en Dennis Gentenaar met een rugblessure. Uiteindelijk waren ze op hetzelfde moment niet langer inzetbaar. Kenneth Vermeer werd eerste keeper. ,,Op dat moment prijs je je gelukkig met de aanwezigheid van drie goede keepers binnen je selectie", zegt l’Ami. ,,Want voor het seizoen was de overweging wel of het voor de ontwikkeling van Vermeer, die een prachtige Olympische Spelen had gekeept, niet beter was om hem weer veel speelminuten te laten maken bij een andere club. Achteraf bleek dat we hem hier heel hard nodig hadden."


Ajax moest tijdelijk terugvallen op een 18-jarige reservekeeper die eigenlijk nog niet aan die rol toe was. Tegen Heerenveen was Sergio Padt dan ook niet degene die Vermeer inschoot. Die honneurs werden waargenomen door l’Ami zelf. Daarna werd Hans Vonk teruggehaald uit Zuid-Afrika om de leemte op te vullen. ,,Er waren meer keepers die in aanmerking kwamen", zegt l’Ami. ,,Maar gezien het feit dat de transferperiode al verstreken was, konden we alleen een keeper aantrekken die niet ergens onder contract stond. En het moest bovenal een keeper zijn die in het Ajax-systeem kan meedraaien. Je moet goed kunnen meevoetballen, ver voor je doel durven verdedigen, en geconcentreerd kunnen blijven als je eigen ploeg op de helft van de tegenstander speelt, om die paar reddingen in de wedstrijd ook inderdaad te kunnen verrichten. Hoe moeilijk dat is, wordt vaak onderschat. Lang niet iedere keeper kan dat. Vonk heeft hier natuurlijk twee jaar gekeept, dus die hoef je over de manier van spelen niets meer uit te leggen. Het was bij hem alleen zaak om het ritme er weer in te krijgen. Hij had zich wel fit gehouden in de maanden dat hij zonder club zat, maar bij het pure keeperswerk had hij een kleine achterstand in te halen. Gelukkig ging dat heel snel. Of ik mezelf nog heb aangeboden als stand-in? Nou nee, dat is niet in mijn hoofd opgekomen. Vonk en ik schelen inderdaad maar vier jaar, maar nog even los van het niveau, is het bij mij al lang fysiek uitgesloten dat ik nog kan keepen."
Carlo l’Ami is voor het tweede achtereenvolgende seizoen de keeperstrainer van Ajax. Hij kwam als opvolger van Fred Grim. Hiervoor trainde hij keepers in de Feyenoord-jeugd en bij Excelsior. Bij Feyenoord ging hij niet echt leuk weg. Toen Stanley Brard er hoofd opleiding werd, volgde er een – gedwongen – uittocht van trainers. Met name Henk Fräser, als aanvoerder van die droeve stoet, sprak er openlijk schande van. l’Ami hield zich op de vlakte. ,,Ik houd er niet van om dit in de pers uit te vechten", legt hij uit. ,,Bovendien, wie was ik? Henk was een van de echte Feyenoorders die het veld moest ruimen. Hij had ook veel supporters die hem steunden. Ik heb ooit bij Feyenoord gespeeld, maar ik had een andere band met de supporters. Dat neemt niet weg dat ik van de argumenten die gehanteerd werden om mijn contract niet te verlengen er eigenlijk niet één begreep. Ik heb wel eens gedacht: 'jullie doen mij wel weg, maar realiseer je wat je weg doet.' In die zin is het voor mij persoonlijk wel leuk dat ik het kennelijk hier bij Ajax wel goed heb gedaan."


Als keeper was l’Ami net niet goed genoeg voor de top. Desondanks had hij een mooie carrière: Excelsior , PSV, SVV, Dordrecht '90, SVV Dordrecht '90, Heracles (1ste divisie), Sparta, sc Heerenveen, Cambuur Leeuwarden, Telstar, opnieuw Excelsior en tenslotte Feyenoord. Bij die club kwam zijn loopbaan tot een einde door een botsing met Romano Denneboom van Heerenveen. De schouderblessure bleek onherstelbaar. ,,Ik was een perfectionist", biecht l’Ami op. ,,Dat is lastig, als je niet perfect bent. En dat was ik niet. Ik kon aardig keepen, maar een supertalent was ik niet. Dan moet je oppassen dat je niet voortdurend ontevreden bent met je eigen prestatie, of dat je jezelf de hele tijd om de oren slaat met die ene fout die je maakte. Pas op latere leeftijd heb ik geleerd die instelling een beetje los te laten. Als me dat eerder was gelukt, had ik misschien nog iets meer uit mijn carrière kunnen halen, hoewel ik uiteindelijk gewoon tekort kwam voor de absolute top. In het Nederlandse voetbal is mentale training nog steeds helemaal niet zo geaccepteerd. In andere landen en bij andere sporten hoort het er gewoon bij. In Nederland wordt overal over nagedacht. Over fysieke fitheid, over voeding, noem maar op. Overal wordt structureel aandacht aan gegeven. Maar mentale training vindt men al gauw aanstellerij. Dat is onzin. Dat heb ik zelf ondervonden. Ik heb het voor mezelf wel gezocht. En ik heb daar veel baat bij gehad. Gewoon, om mezelf te verlossen van dat overkritische."
l’Ami keepte in een tijd dat het keepersvak nog helemaal niet als aparte discipline werd benaderd. Helemaal bij de clubs onder de top. Hij keek het keepen af bij de keeper die bij zijn club in Wassenaar, Blauw-Zwart, in het eerste stond: Peter Pieterse. ,,Dat was een fantastische keeper", weet l’Ami nog heel goed. ,,Hij heeft ook meerdere keren de kans gekregen om naar het betaalde voetbal te gaan, maar hij heeft het nooit gedaan. Stond ik op de training en bij wedstrijden achter zijn doel om te kijken hoe hij het deed. Zo leerde je het vak. Ik kreeg volgens mij voor het eerst echt keeperstraining toen ik bij PSV zat. Daar was Jan Formanoy de keeperstrainer. Dat was luxe. Ik was gewend dat je het moest hebben van assistent-trainers of hoofdtrainers die even een uurtje met je aan de gang gingen. Maar dan kwam het ook vaak niet veel verder dan een beetje knallen op doel. Vonden ze zelf altijd wel leuk, maar of het veel zin had, valt te bezien. Pas met Frans Hoek is het keepersvak een serieuze discipline geworden. Alle methodiek is bij hem begonnen. Daarna zijn er meer keeperstrainers geweest die hebben bijgedragen aan oefenstof en begeleiding. Ik houd het allemaal goed bij, en pik er hier en daar iets uit dat mij nuttig lijkt. Er is geen methode-l’Ami, zoals er natuurlijk wel een methode-Hoek is. Hij heeft gezorgd voor een revolutie in het keepersvak. Ik doe het op mijn eigen manier. Ik ben nog altijd perfectionist. Maar nu in de gezonde betekenis. Ik eis van mezelf dat ik er alles aan doe om het beste uit de keepers te halen. Ik ben een vakidioot. Fouten van één van de keepers beschouw ik niet als mijn eigen fouten. Je voelt wel met ze mee. Je weet hoe hij zich bij een fout voelt. Maar het gaat om de volgende bal die je moet tegenhouden. Ik houd ze altijd voor dat ze best een fout mogen maken. Dat voorkom je niet altijd. Het gaat erom hoe je met die fout omgaat. Je moet er meteen weer staan. Met het idee dat er niks meer langs komt. Je kunt niet als een geslagen hond met hangende schouders in de 16 gaan staan. Kop omhoog! Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Zeker bij een club als Ajax, waar de druk altijd enorm groot is."