Gerrie Mühren weet precies wat Ajax nodig heeft

Steeds meer Ajacieden vinden na hun actieve voetbalcarrière de weg terug naar Ajax. Als directielid, bestuurslid, trainer, leider of scout hebben ze bewust gekozen voor een tweede voetballeven bij hun eerste voetballiefde. In deze kerstspecial vertellen de oud-spelers over hun carrière van toen en over hun werkzaamheden van nu. Vandaag Gerrie Mühren, scout.

Voor een scout van Ajax is het momenteel goed werken, aldus Gerrie Mühren, sinds vijf jaar behorend tot het scoutingsteam van de Amsterdammers. ,,We kunnen schermen met Danny Blind als hoofd jeugdopleiding, die kent iedereen in de wereld, en met de oud-Ajacieden die overal in de wereld bij topclubs spelen. Elke club probeert wel onze jeugdopleiding na te bootsen, maar dat lukt nooit. Ajax heeft zijn eigen stiel. Ik vind dat een speler eerst drie of vier jaar bij Ajax moet spelen, voordat hij naar een andere Europese topclub gaat. Bij Ajax is hij iemand, bij bijvoorbeeld een Spaanse topclub is hij vaak een nummer.”

Mühren kan het weten. Zelf speelde hij maar liefst negen jaar in de Amsterdamse hoofdmacht. Van zijn 21ste tot zijn dertigste op het hoogst denkbare Europese niveau. ,,Ik was zestien jaar toen ik met Volendam al in de eredivisie speelde”, memoreert de begaafde linkshalf van weleer. ,,We wonnen eens met 3-2 van Ajax. Bij de stand 2-2 kreeg Ajax een strafschop en de penalty’s werden altijd door Sjaak Swart genomen. Maar nu pakte Bennie Müller de bal uit de handen van Swart en zei dat hij de twee andere treffers al had gemaakt en ook de derde zou maken. Maar onze keeper stopte de bal, hervatte het spel en aan de andere kant maakten wij de 3-2. Na de goal was de wedstrijd gelijk afgelopen. Swart kreeg een ruzie met Müller. Haha, ik vraag nu nog steeds aan Sjakie waar die ruzie tussen hem en Müller eigenlijk over ging.”

Het was niet voor het laatst dat Mühren lachend in het veld stond. In een andere van de talrijke sappige anekdotes was de aanleiding een communicatiestoornis tussen Bobby Haarms en Volendam. ,,Ik reed altijd samen met mijn broer Arnold naar Amsterdam. Hij vertelde dat hij die dag linksback zou staan in de wedstrijd tegen Den Haag. Daar had Bob Haarms hem over gebeld. Ik vond het geweldig. ‘Maakt niet uit waar je staat jongen, pak die kans. Al ben je keeper’, zei ik tegen hem. Maar wat bleek nou? Bob had Arnold’s vrouw Gerie aan de telefoon gehad en niet gemerkt dat het een vrouwenstem was. Bob hoorde alleen ‘Gerie’ en dacht dat hij mij aan de telefoon had gekregen. In de kleedkamer vroeg hij mij of ik het had begrepen. Ik begreep niet wat hij bedoelde. Stond ik dus linksback en niet Arnold, wat ik heel vervelend voor hem vond. Ik had Ling twintig minuten in mijn zak. Maar opeens dacht ik terug aan het misverstand en kreeg ik de slappe lach. Ja, toen kon Ling er wel langs en snel daarna haalde Ajax hem.”

Gerrie vond het leuk dat zijn jongere broertje Arnold ook bij Ajax was gehaald, maar hij vond het vervelend dat Arnold nooit speelde. ,,Omdat hij net als ik linkshalf was, speelde hij nooit, want ik speelde altijd. De mooiste wedstrijden speelde ik tegen Real Madrid en dan heb ik het niet alleen over het hooghouden, haha. Vroeger waren mijn clubs Volendam, Ajax en Real Madrid. In totaal heb ik zeven keer tegen Madrid gespeeld, ook in mijn tijd bij Betis Sevilla, en alle zeven keer gewonnen. Dat is op zich uniek. Met Betis scoorde ik ook nog eens drie keer tegen ze. Met Ajax één keer.”

De negen jaar die Mühren bij Ajax heeft gespeeld, komen hem nu goed van pas in zijn werk als scout. ,,Ik kijk naar materiaal waar ik negen jaar lang tussen heb gelopen. Dan weet je zo verdomd goed wat Ajax nodig heeft en dat is iets anders dan welke club ook. Dat is het interessante. Natuurlijk zie je de talenten nooit in het Ajax-systeem in actie, maar je ziet wel hun kwaliteiten. Het is fantastisch mooi werk dat ik heb. Je neemt volledig deel aan het voetbalproces. Ik kijk heel veel videobanden, wel acht per week. Alles wat bij Ajax binnenkomt, krijg ik te zien. Mijn werkgebied is de hele wereld. Ton Pronk coördineert alles, hij heeft alles in zijn hoofd en in de computer. Hij is echt van onschatbare waarde voor Ajax. Zelf ga ik het liefste alleen op pad. Dan word ik tenminste niet gestoord tijdens een wedstrijd. Ik onthoud alles wat er gebeurt, kan in de hersenen van die jongen kijken, hypnotiseer hem bijna. Maar zodra iemand tegen mij begint te praten, ben ik alles kwijt.”

Kwijt raakt hij zijn dierbare voetbalherinneringen nooit. ,,Zo vond ik mijn doelpunt tegen Bayern München het mooiste, maar ook de Ajax – Feyenoord, die we met 2-1 wonnen door een doelpunt van mij en één van Arnold net voor tijd, was schitterend. En mijn allereerste wedstrijd in Ajax 1. Ik was met Ajax 2 onderweg naar Twente toen ik terug moest omdat Klaas Nuninga ziek was geworden. Ajax speelde tegen Telstar en direct na de aftrap stond iedereen van ons in het strafschopgebied van Telstar. Ik snapte er niets van en sloot ook maar aan. Swart legde de bal terug en drie man maaiden er overheen. Ik kon de bal zo intikken en kreeg een staande ovatie. Ik begreep er niets van. Bleek mijn goal het duizendste doelpunt van Ajax in eredivisieverband te zijn. Die wilde iedereen wel scoren. Iedereen wist het ook, behalve ik!”

Voor 2004 wenst Mühren iedereen vooral veel gezondheid toe. ,,Dat is toch het allerbelangrijkste. Ik heb zonder schaamte in 1974 afgezegd voor het wereldkampioenschap. Mijn zoontje huilde na de geboorte dag en nacht aan één stuk door. We wisten niet wat hij had. Toen heb ik gezegd, ‘ik ga niet’. Iedereen om mij heen zei dat ik wel moest gaan, mijn vrouw ook. Maar ik wilde weten wat het jongetje mankeerde. Daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik heb ook nooit meer voor Oranje gespeeld. Ik kon ze niet onder ogen komen. Ik had ze, hoewel ik daar een heel goede reden voor had, in de steek gelaten. Dan vind ik niet dat je weer terug kan keren. Dat wilde ik niet. Nu heb ik maar tien interlands achter mijn naam staan en vraagt iedereen zich af waarom dat er zo weinig zijn. Moet ik dit verhaal steeds weer vertellen...”