Het tweede Ajax-leven van Heinz Schilcher

Het tweede Ajax-leven van Heinz Schilcher

Ajax-scout Heinz Schilcher speurt in Zuid- en Oost-Europa naar Ajax-talent. De 59-jarige Oostenrijker is daarmee in een nieuwe rol terug bij de club die hij begin jaren zeventig als speler diende.

Drie foto’s geven een aardig beeld van de voetballer die Heinz Schilcher ooit was. Neem het wedstrijdfragment uit Bayern München - Ajax, van 1 maart 1973, de kwartfinale van het toenmalige Europa Cuptoernooi voor landskampioenen. Of zie de actiefoto uit NEC - Ajax, het competitietreffen dat hetzelfde jaar een week eerder werd gespeeld. Uit beide actiefoto’s spreekt onverzettelijkheid, een tomeloze drive. Schilcher jaagt met bemodderde knieën, verbeten en gestoken in een ooit hagelwit uittenue op de bal. In het inmiddels klassiek geworden Olympiastadion in München kijkt collega-Ajacied Barry Hulshoff op de achtergrond goedkeurend toe. In de al even klassiek geworden oude Goffert van NEC duelleert Schilcher met tegenstanders van de thuisploeg. Zelfs archieffoto nummer drie vertelt zijn eigen verhaal. Ook het rechttoe rechtaan portret ademt de sfeer van de jaren zeventig. De haardos, het dikke katoenen Ajax-shirt en de dromerige blik vertellen iets over de tijd, de voetballer en zijn toenmalige club.
Heinz Schilcher bekijkt de drie platen geconcentreerd en aandachtig. De Oostenrijker is terug op vertrouwde Amsterdamse grond. Bijna 35 jaar nadat fotograaf Guus de Jong afdrukte, dient Schilcher zijn club in een heel andere rol. De Oostenrijker fungeert als internationaal scout. De verdedigende middenvelder of rechtsback van toen heeft het voetbaltenue al lang ingeruild voor een burgermanstenue. Boven het trendy jack met imitatiebontkraag wappert een kleine, grijze paardenstaart. De haardos is van kleur verwisseld, maar uiterlijk is de inmiddels 59-jarige Schilcher niet veel veranderd.

Heinz Schilcher in de Europa Cupwedstrijd tussen Bayern München en Ajax. In het Olympiastadion verloren de Ajacieden op 1 maart 1973 met 2-1. Eerder al won de ploeg van Stefán Kovács met 4-0 in het eigen Olympisch Stadion. FOTO: GUUS DE JONG Heinz Schilcher in de Europa Cupwedstrijd tussen Bayern München en Ajax. In het Olympiastadion verloren de Ajacieden op 1 maart 1973 met 2-1. Eerder al won de ploeg van Stefán Kovács met 4-0 in het eigen Olympisch Stadion. FOTO: GUUS DE JONG

Tussen 1971 en 1973 voetbalde Schilcher 45 officiële wedstrijden bij elkaar als Ajacied. Onder trainer Stefán Kovács maakte de nog jonge controleur zijn opwachting in de selectie van ‘het grote Ajax’. De oogst van de Ajacied Schilcher: twee Europa Cups, de Wereld Beker, de Europese Supercup, twee landstitels plus de KNVB Beker. Een imponerende erelijst voor een speler die ‘slechts’ tweeënhalf jaar in Amsterdam speelde.
Na de foto’s nauwkeurig te hebben bekeken, vertelt Schilcher met een grappig Oostenrijks accent over zijn eerste periode bij Ajax. Alles begon met de curieuze wijze waarop hij ooit in Amsterdam belandde. ,,Op een goede dag kwam mijn manager naar me toe. Ik speelde toen bij Sturm Graz. Of ik in Holland wilde gaan voetballen. 'Ik kan de naam van de club nog niet noemen, maar als je nu in de auto stapt, rijden we ernaartoe', was het enige dat hij zei. Ajax bleek op zoek naar een verdedigende middenvelder of verdediger. Op die posities kon ik spelen. De club had al een paar wedstrijden van me gezien, maar dat wist ik niet toen ik in de auto stapte. Ik had werkelijk nooit gedacht dat ik ooit écht bij de Europa Cuphouder terecht zou komen. Iedere voetballer wilde begin jaren zeventig wel bij Ajax spelen. Ik, als speler van Sturm Graz dus ook."
Kort na de plotselinge autorit tekende Schilcher zijn Ajax-contract. Trainer Kovács en voorzitter Jaap van Praag heetten de aanwinst als eersten welkom in de Meer. Zo kort voor zijn debuut op 15 augustus 1971 (FC Twente - Ajax 0-2) was de Oostenrijker opeens deel van de zestienkoppige Ajax-selectie.
,,Voetbalselecties waren toen nog veel kleiner", legt Schilcher uit. De Oostenrijker vervulde meestal de rol van supersub. Schilcher was een invaller die eigenlijk nooit teleurstelde. ,,Een trainer had toen ook maar drie spelers op de bank, omdat hij twee keer mocht wisselen in een wedstrijd. Als het elftal behoefte had aan een extra verdedigende speler kwam ik er meestal in. Arnold Mühren en Johnny Rep werden meestal ingezet als werd gevraagd om offensievere spelers. Vroeger was het verschil groter tussen aanvallen of verdedigen. Het voetbal is toch al flink veranderd. Voetbal is vooral veel sneller, fysieker en technischer geworden."

Na zijn laatste wedstrijd als Ajacied in 1973 (CSKA Sofia - Ajax 2-0) trok Schilcher naar Frankrijk. Bij Nimes droeg Schilcher de aanvoerdersband. Ook bij Strasbourg had de oud-Ajacied een onbetwiste leidersrol in het veld. In 1982 kwam het einde aan een mooie voetbalcarrière. Schilcher nam afscheid op bijna ‘Keizeriaanse’ wijze. ,,Stoppen is ook bij mij écht stoppen", vervolgt Schilcher met een verwijzing naar de opvallende manier waarop ooit Piet Keizer zijn voetballoopbaan beëindigde. ,,Piet zei op een dag: 'Ik kom morgen niet meer'. Bij mij ging het iets minder abrupt. Maar na 1982 heb ik nooit meer een bal aangeraakt. Voetballen vind ik nu ook veel te gevaarlijk. Mijn lichaam is er niet meer aan gewend. Ik geniet nu vooral van langlaufen en van het kijken naar voetbal. Langlaufen is echt ontspannend. Maar voetbal heeft me nooit losgelaten."
Na een werkverband bij adidas en een terugkeer bij zijn oude liefde Sturm Graz (waar hij veertien jaar technisch directeur was), maakte Schilcher zijn rentree bij Ajax. Twee jaar terug polste Ajax’ technisch directeur Martin van Geel de oud-speler voor een rol in het internationale scoutingapparaat. In Zuid- en Oost-Europa speurt de in Graz woonachtige Schilcher naar mogelijk nieuw Ajax-talent. De eigen voetbalervaringen in de top, een uitgebreid netwerk in de voetbalwereld en de onvoorwaardelijke liefde voor het spel maken van Schilcher een opvallende scout.
,,Scouten is belangrijk, maar kan ook heel ondankbaar werk zijn. Wij als scouts kunnen spelers slechts presenteren, de club bepaalde tips geven. De trainers of de technische leiding kunnen het goed- of afkeuren. Om het werk goed te doen, is het belangrijk om ook Ajax zelf aan het werk te zien. Je moet weten hoe nu wordt gespeeld en wat goed of slecht is in het elftal. Ieder jaar zie ik Ajax ongeveer vier of vijf keer aan het werk."

Schilcher straalt onverzettelijkheid uit in de competitiewedstrijd tegen NEC in de oude Goffert. Ajax won de wedstrijd met 4-0. FOTO: GUUS DE JONG Schilcher straalt onverzettelijkheid uit in de competitiewedstrijd tegen NEC in de oude Goffert. Ajax won de wedstrijd met 4-0. FOTO: GUUS DE JONG

Het aantal Ajax-wedstrijden valt in het niet bij de hoeveelheid wedstrijden die Schilcher van andere clubs of landenploegen ziet. Acht duels per week bijwonen is geen uitzondering. Geen talent mag onbekend, laat staan onontdekt blijven. ,,Met de wedstrijden die ik op televisie bekijk, kom je meestal tot meer wedstrijden per week", verduidelijkt Schilcher. ,,We hebben thuis twee televisies staan. Mijn vrouw en ik hebben allebei een eigen televisie. Zo kan ik echt de hele dag bezig zijn met het voetbal."
Delen de scouts hun bevindingen regelmatig met interim-hoofdtrainer Adrie Koster? Schilcher en zijn collega-scouts voor het eerste elftal hebben vooral veel contact met Fred Arroyo, de coördinator scouting betaald voetbal. Daarnaast is ook Martin van Geel regelmatig gesprekspartner. ,,De hoofdtrainer zou gek worden als hij constant advies zou krijgen van iedere scout. Meestal selecteert Fred de tips. En soms komen alle internationale scouts bij elkaar in Amsterdam. Dan praten we in de ArenA en op de Toekomst ook met de trainers bij. Die gelegenheid gebruiken we dan meteen ook om bijvoorbeeld de A1 aan het werk te zien."
Waar de internationale scouts precies op letten, blijkt gecompliceerd. De zoektocht naar potentiële nieuwe Ajacieden blijkt een lastige. Schilcher wil niet te veel weggeven. Het draagt onbedoeld bij aan de mystiek die rond scouting hangt. De concurrentie onder de topclubs is groot, soms zelfs moordend. Uitweiden is niet op zijn plaats. ,,Welke spelers uit de huidige selectie ik heb gescout?" wordt de vraag lachend herhaald. Ernstig: ,,Namen noemen we nooit. Ik ben nu anderhalf jaar actief in deze rol. Die periode is wellicht ook te kort om al te kunnen zeggen dat je een speler echt hebt 'ontdekt'. Enerzijds omdat een transfer ook afhankelijk is van het oordeel van de trainer en de technisch directeur. Daarbij speelt ook het financiële aspect bij de club natuurlijk een rol. Verder kost het ook tijd voordat je echt kunt zeggen of een speler geschikt is voor Ajax. Slechts uitzonderlijke spelers als Ronaldinho worden snel ontdekt.’’