Swart: 'Johan is de beste aller tijden'

Swart: 'Johan is de beste aller tijden'

De Toekomst, het clubhart van Ajax, bestaat dit seizoen tien jaar. In deze aflevering van '10 jaar de Toekomst', halen de (oud-) ‘Toekomstbewoners’ Sjaak Swart, Bobby Haarms en Gerrie Mühren herinneringen op aan Johan Cruijff.

Sjaak Swart speelde liefst negen jaar samen met Cruijff: van 1964 tot hun beider afscheid van Ajax in 1973. ,,Maar ik kende hem al veel langer hoor. Als speler van het eerste bekeek ik hem al toen hij nog bij de welpjes speelde. Je zag dat hij een grote ging worden. Hij is de beste voetballer die de wereld heeft gekend. Beter dan Eusebio, Péle en Maradona: Cruijff was completer, die had het zelfs goed gedaan in het doel. Ik heb dan ook geweldige jaren met hem gehad. Man, wat hebben we samen veel goals gemaakt. De mooiste was tegen Chelsea, in een oefenduel tijdens de voorbereiding. Ik zag altijd precies wanneer Johan diepging. Een voorzet van Suurbier op mij, ik gaf hem meteen door op Johan die de bal met zijn hak meenam en hem daarna direct in de kruising schoot. In tegenstelling tot wat de meesten zeggen, vind ik dat Johan als broekie wél goed luisterde, maar misschien was dat ook wel omdat ik het gewoon goed met hem kon vinden. We deden altijd veel samen: kaarten, kletsen en vooral lachen. Bij mijn afscheid kreeg ik van hem een staande klok, een prachtig geschenk. Dat vond ik om meerdere redenen waardevol.”

Ook Bobby Haarms heeft waardevolle herinneringen aan zijn tijd met Cruijff. De inmiddels 73-jarige veteraan nam in april 2000 officieel afscheid van Ajax met een benoeming tot erelid. Maar nog altijd komt hij er frequent. Logisch, aangezien hij dat gewend is sinds 1947. Hoewel Haarms bij de meesten voornamelijk bekend zal zijn als degene die zo’n dertig jaar lang hersteltrainingen gaf – de befaamde ‘Bobby-trainingen’ – is hij ook speler, scout en hoofdtrainer geweest. ,,Ik kan je uren vertellen over Cruijff, maar waar ik als eerste aan moet denken is dat hij me direct belde toen hij hoofdtrainer bij Ajax werd. Ik was assistent-trainer bij FC Volendam en had het er naar mijn zin hoor, maar ik ben natuurlijk Ajacied, en ik woonde tegenover de Meer. Ik werkte al anderhalf jaar in Volendam toen Johan bij Ajax tekende. ‘Ik heb je nodig Bob’, zei hij direct door de telefoon. ‘Ik ben al onderweg’, antwoordde ik. Het gevoel dat iemand voor je opkomt, en dat ik door hém weer mocht thuiskomen… fantastisch.''

,,Johan was en is een grootheid. Als jochie al passeerde hij zijn man zonder naar de bal of de tegenstander te kijken: dan keek-ie namelijk al in de diepte om de lopende man te zoeken. Hij was daarbij enorm leergierig, maar eigenlijk wist hij alles al. Hij had oog voor alles. Die penalty met Jesper Olsen is natuurlijk een goed voorbeeld van hoe hij nadacht over spelsituaties, maar ik herinner me ook een wedstrijd in de Meer tegen Telstar. Tijdens het inlopen had Johan al gezien dat er een plasje water op de rand van het strafschopgebied lag. Na tien minuten spelen kreeg Ajax een vrije trap en Johan liet iemand bewust de bal in dat plasje tikken. De bal bleef erin liggen, de muur en organisatie bij Telstar vielen helemaal uit elkaar en Johan schoot die bal droog binnen. Alleen de grootmeesters zien zoiets van tevoren en gebruiken dat soort dingen. En díe grootmeester belde mij op om te zeggen dat-ie me nodig had in de zomer. Ik heb het seizoen bij FC Volendam juichend afgemaakt, dat begrijp je wel.” Haarms sluit zijn verhaal op kenmerkende wijze af: ,,Heb je genoeg zo jongen? Ja? Mag ik dan Johan nog even feliciteren in het verhaal?”

Gerrie Mühren is al jarenlang scout bij Ajax. De Volendammer die wel altijd bekend zal blijven als de man die een balletje hooghield in de halve finale van de Europa Cup I uit tegen Real Madrid, speelde vijf jaar samen met Cruijff. Minder bekend zijn misschien de datum en de doelpuntenmaker van die met 0-1 gewonnen halve finale: 25 april 1973 – de verjaardag van Johan Cruijff – met Mühren als schutter. Ajax was door naar de finale.

,,Johan was een groot voetballer, ook omdat hij zulke scherpe observaties had. Dat regenplasje in die wedstrijd tegen Telstar is daarvan een goed voorbeeld. Ik liep daarom ook graag voor hem, je wist altijd dat hij iets goeds zou doen, een opening zou vinden. Dan nam ik met mijn sprintjes dus een of twee man mee, zodat Johan de bal kon houden. Hij zag alles. Als je half op het doel schoot, omdat je de bal verkeerd raakte hoefde je bij hem ook niet aan te komen met een opmerking als ‘Ja maar, ik wilde een voorzet geven’. Hij zág wat je wilde doen. Andersom kon ik bij iedereen zien wat hij met de bal ging doen, behalve bij hem.” Dan roemt Mühren ook nog Cruijffs persoonlijkheid: ,,Hij is een fijn mens en nog steeds precies dezelfde jongen als vroeger.

,,Weet je trouwens dat hij, toen hij in 1964 begon, eerst een ander rugnummer had”, zegt Mühren over het inmiddels ‘bevroren’ rugnummer 14. ,,Hij had eerst nummer 7, toen 8, daarna 10 en later nummer 9, maar toen hij geblesseerd raakte, kreeg ik dat nummer. Ik meen dat hij terugkwam in een wedstrijd tegen PSV, ergens in 1970. De wedstrijdkleding zat in die tijd nog in een grote mand en Johan en ik stonden samen bij die mand. Toen ik als eerste het shirt met nummer 9 vond, zei Johan: ‘Nou, dan neem ik nummer 14 wel.’ Mij maakte het trouwens ook niet uit hoor, want je rugnummer zie je zelf toch niet. Maar na afloop van de wedstrijd, die we wonnen, zei Johan ‘Nou, dat liep wel lekker zo. Die nummers moeten we zo maar houden’."