Thun is de rust zelve

Thun is de rust zelve

Als de bal vanavond rolt in het Stade de Suisse, zullen dertig kilometer verderop de straten leeg zijn. Voor de gemiddelde inwoner van Thun bestaan maar twee opties. Met een kaartje op zak naar Bern afreizen of thuis voor de buis getuige zijn van een unieke gebeurtenis: de plaatselijke voetbalclub die zijn krachten meet met één van Europa's grootste namen, Ajax.

Op woensdagmorgen is in Thun nog weinig te merken van de naderende voetbalwedstrijd. In sommige etalages tonen winkeliers hun sympathie voor de lokale FC, maar verder overheerst de rust die je in een stadje van 41.000 inwoners mag verwachten. ‘Hopp FC Thun’ staat er bij een kapsalon te lezen, in rode en gele papieren letters. Verderop ligt het achter een van de winkelruiten vol met Thun-parafernalia: sjaaltjes, foto’s en een etalagepop is getooid in het shirt van aanvoerder Andres Gerber.

De inwoners lijken met hun gedachten nog niet bij vanavond, als Thun voor even in het centrum van de internationale voetbalwereld ligt. Dat is eerder af te lezen aan de buitenlandse bezoekers die her en der door de straten van het middeleeuwse centrum struinen. Een cameraploeg is bezig met een sfeerreportage over Thun en heeft een marktkraampje uitgekozen voor een fleurig shot, langs de uitgestalde bloemen en planten de grootste winkelstraat in. De eigenaar van het stalletje bekijkt het van een afstandje, met een mengeling van verbazing en bevreemding op zijn gezicht.
Ook twee kilometer verderop - in het stadion van FC Thun - is nog niets te merken van opwinding of wedstrijdspanning. Een paar supporters van Ajax maken foto’s van het complex, dat de naam stadion eigenlijk niet verdient, maar met de bergtoppen op de achtergrond wel fraaie kiekjes oplevert. Het hoofdveld is omringd door een atletiekbaan en een haag van laaggesnoeide naaldboompjes. Her en der zijn onderkomens voor de sponsors uit de grond gestampt, sinds de in 1898 opgerichte vereniging begon aan zijn opmerkelijke opmars in het Zwitserse voetbal. De accommodatie is verder nog van amateurniveau. Alleen achter de dugouts staat een tribune van enige omvang, verder moet de supporter van FC Thun het doen met staanplaatsen. Om die reden voetbalt FC Thun vanavond niet op eigen bodem, maar in Bern, waar het Stade de Suisse wel aan de UEFA-normen voldoet.

De sfeer is gemoedelijk in Lachen, zoals het stadionnetje in Thun heet. Geen gestresste suppoosten die ongewenste bezoekers proberen buiten te houden, geen hermetisch afgesloten trainingsveld, niets van dat alles. Wie ver genoeg doorloopt, stuit vanzelf op het kleedkamerblok. Buiten liggen borstels waarmee de anti-vedettes van FC Thun hun voetbalschoenen schoon kunnen vegen. Even verderop staat een kunsstofmuurtje waarmee het nemen van vrije trappen wordt geoefend. Vier van de vijf denkbeeldige tegenstanders hebben jassen aan, in legerkleuren.

Dan gaat plotseling de deur open en komen ze één voor één naar buiten; de voetballers die vanavond voor een stunt willen zorgen door Ajax te bedwingen. Eerder op de ochtend heeft trainer Urs Schönenberger zijn spelers nog een laatste keer meegenomen het veld op. In de middencirkel voerde hij minutenlang het woord, druk gebarend en wijzend. De spelers luisterden, meer niet. Trainen deed Thun vanzelfsprekend niet, op de dag van de wedstrijd.
Een uurtje later lopen de tegenstanders van Ajax doodgemoedereerd weg, ieder zijn tasje met voetbalschoenen onder de arm. Spits Mauro Lustrinelli stapt op zijn fiets die naast de kleedkamer staat en weg is hij.
Nu ziet niemand hem, vanavond heeft hij miljoenen ogen op zich gericht.