Trabelsi is easy ici

Het wordt steeds idioter, dachten velen toen Ajax blij gewag maakte van nu weer een Tunesische aankoop. Het VN-gehalte was al zo onwaarschijnlijk. Wat moesten we hier nu weer mee? Het overtuigende antwoord werd snel gegeven door Trabelsi zelf, die zich niet zozeer aanpaste aan Ajax, maar meer Ajax zich liet aanpassen aan Trabelsi.

In den beginne motiveerde Leo Beenhakker de exotische aankoop nog door te wijzen op het grote nut van de grote snelheid van de rechtsback. De traditionele ruimte achter de Ajax-defensie verlangde immers snelle verdedigers. Niet wetende dat de tactiek zo veranderd zou worden dat juist de ruimte vóór de vleugelverdedigers groot zou worden.

Ideaal voor de aanvallend ingestelde Tunesiër, die vliegensvlug en met een opzienbarend technisch vermogen over de gehele flank dartelt. Perfecte aankoop uit een ongewoon land. Tunesië was nog maar zelden het jachtterein van de voetbalscouts. Als voetbalnatie spreekt het Noord-Afrikaanse land nog niet erg tot de verbeelding, ondanks de tweede WK-kwalificatie op rij. Maar wat zegt dat nog tegenwoordig?

Er zijn vier grote clubs in Tunesië, Espérance Sportive de Tunis, Club Africain, Etoile Sportive du Sahel en Club Sportif Sfaxien. Sfaxien is dus een bekende club in Afrika.

Toen Hatem een jaar oud was, is hij met zijn familie van Ariana naar Sfax verhuisd, een andere grote stad meer zuidelijk. Op zijn vijfde werd hij lid van Sfaxien. Elk jaar organiseren de grote clubs een groot toernooi. Daar komen alle talenten van de kleinere clubs uit het hele land op af. Het werkt iets anders dan de Talentendagen bij Ajax, maar het lijkt er wel op. Er wordt druk gescout bij die toernooien. Maar dan door de nationale clubs, niet door de internationale.

Trabelsi: ‘Ik heb altijd gewoond in een buurt waar voetbal enorm populair was. Iedereen was er altijd aan het voetballen. En ik dus ook. Elke dag na school werd er op straat gespeeld. Door de week mocht ik na school altijd voetballen. Maar ik moest ook op tijd thuis zijn om mijn huiswerk te maken. Er zat toen al behoorlijk wat discipline in. Alleen op zaterdag en zondag mocht ik de hele dag voetballen. Dan ging ik alleen naar huis om even wat te eten. Maar iedereen was altijd binnen de kortste keren weer terug om verder te gaan.

We speelden op een soort plein, vlak bij mijn huis. Maar dat was geen plein zoals ze hier in Amsterdam zijn. Geen gras, geen tegels, maar gewoon zand en gruis. Twee stenen als doel. Je moest altijd zorgen dat je niet viel, want dan lag je helemaal open. Tunesische jongens die voetballen, hebben altijd heel veel littekens. Ik wilde net zo goed worden als mijn oom. Hij kon heel goed voetballen. Hij speelde niet in de hoogste afdeling, maar dat had niets te maken met zijn vaardigheden. Hij is altijd mijn voorbeeld geweest.

Dit fragment is afkomstig van het interview met Trabelsi in het Ajax Magazine, het officie¨e clubblad van Ajax. Ajax Magazine is te koop in de betere kiosken en kost Hf. 8,95