Van de Meer naar de ArenA

Van de Meer naar de ArenA

Het betaald voetbal in Nederland bestaat dit seizoen zestig jaar. In deze serie belichten we wekelijks een Ajax-onderwerp dat bij dit jubileum aansluit. In aflevering 8 een verhaal over de Meer, het Olympisch Stadion en de Amsterdam ArenA in 60 jaar betaald voetbal.

Ajax speelt tussen 1934 en 1996 in stadion de Meer, voordat de verhuizing naar de ArenA een feit is. Zes jaar voor de opening van de Meer (op 9 december 1934, foto boven) wordt in het Amsterdamse stadsdeel Zuid het Olympisch Stadion in gebruik genomen voor de Olympische Spelen van 1928. In datzelfde jaar speelt Ajax voor het eerst een vriendschappelijk duel met Blauw-Wit.

Terwijl de Meer in de jaren daarna uitgroeit tot een thuishaven met een capaciteit van iets minder dan dertigduizend toeschouwers, kan het Olympisch Stadion liefst 64.000 mensen herbergen. Doordat Ajax in de loop der jaren steeds meer successen boekt, neemt de club voor belangrijke wedstrijden steeds vaker de wijk naar het Olympisch Stadion.

Desondanks blijven de Ajacieden de Meer zien als ‘hun’ stadion. Met name vanaf eind zestiger jaren wordt het onderkomen in stadsdeel Watergraafsmeer een welhaast onneembare vesting voor bezoekende clubs. Behalve de sportieve vorderingen die Ajax maakt spreekt ook het stadion, dat een Engelse sfeer uitademt en waarin de toeschouwers met hun neus op het veld zitten en staan, tot de verbeelding. Bovendien ligt de grasmat er meestal perfect bij.

Hoewel Ajax dus geregeld uitwijkt naar het Olympisch Stadion wordt in de Meer menigmaal geschiedenis geschreven. De wedstrijd Ajax – Vitesse van 19 mei 1972 bijvoorbeeld, staat nog altijd in de recordboeken als grootste zege in de Eredivisie: 12-1. In het seizoen 1984-1985 wordt daar een Europees record aan toegevoegd als Ajax in de return tegen het nietige Red Boys Differdange uit Luxemburg met 14-0 uithaalt. Onder anderen Marco van Basten (5x) en Ronald Koeman (3x) halen die avond voor ruim negenduizend toeschouwers de trekker over en wissen daarmee de schande van het doelpuntloze gelijkspel uit de heenwedstrijd uit.

Ook het Olympisch Stadion staat symbool voor gedenkwaardige ontmoetingen. Te beginnen natuurlijk met de legendarische mistwedstrijd Ajax – Liverpool uit de jaargang 1966-1967, die door de thuisploeg met 5-1 wordt gewonnen. Dat de toeschouwers op de tribunes amper een doelpunt hebben gezien wordt al snel voor lief genomen. Ajax heeft tenslotte het grote, onverslaanbaar geachte Liverpool geklopt en plaatst zich voor de kwartfinales van de Europacup 1.
De winst van de eerste Wereldbeker voor Clubteams, op 28 september 1972, is ook al zo’n memorabel Ajax-optreden in het Olympisch Stadion. De Argentijnen worden met 3-0 geklopt. In 1995 verovert Ajax op dezelfde voetbalgrond de Europese Supercup door Real Zaragoze te verslaan.

Sjaak Swart jaagt op een treffer in het beslissende duel met Independiente om de Wereldbeker voor Clubteams op 28 september 1972 in het Olympisch Stadion. Sjaak Swart jaagt op een treffer in het beslissende duel met Independiente om de Wereldbeker voor Clubteams op 28 september 1972 in het Olympisch Stadion.

Op 13 mei 1992 verovert Ajax voor eigen publiek de enige Europese beker die het nooit eerder won: de UEFA-cup. In een zinderend Olympisch Stadion volstaat een 0-0-gelijkspel tegen Torino voor de UEFA-cup-winst. Het eerder in Turijn gespeelde eerste finaleduel eindigde in 2-2. In Amsterdam, in het ‘Olympisch’ en in het centrum van de stad, wordt de Europese zegetocht groots gevierd.

Drie jaar later dient zich een nieuw hoogtepunt aan in de clubgeschiedenis. Na een 0-0-gelijkspel in de heenwedstrijd maakt een volgepakt Olympisch Stadion zich op voor de return van de halve finale Europacup 1. Tegenstander: Bayern München. Na een 3-1-ruststand wint de ploeg van trainer Louis van Gaal met 5-2 en plaatst het zich voor het eerst in 22 jaar voor de Champions League-finale, die uiteindelijk met 1-0 wordt gewonnen van AC Milan. Tevens maakt het stadion in de rust van de wedstrijd tegen de Duitsers kennis met André Rieu. De Limburgse violist speelt dan het stuk The Second Waltz en krijgt veel bijval van het volop aanwezige publiek.

In het seizoen 1995-1996 speelt Ajax zijn laatste thuiswedstrijd in zowel de Meer als het Olympisch Stadion. In de Meer is Willem II tegenstander in de Eredivisie. Het Griekse Panathinaikos is een tegenstander in de Champions League. Het treffen met de Grieken is de heenwedstrijd in de halve finale van de Champions League. Ajax verliest voor eigen publiek met 0-1. Het is een afscheid in mineur, ware het niet dat de Amsterdammers zich twee weken later alsnog plaatsen voor de finale na een 0-3-zege op Griekse bodem. Tegen Willem II (5-2-zege) slepen de Ajacieden de derde opeenvolgende landstitel in de wacht.

Op dat moment - in april 1996 - is het bijna tweeëneenhalf jaar geleden dat in Amsterdam-Zuidoost de eerste paal is geslagen van de Amsterdam ArenA, het nieuwe onderkomen van Ajax. De club is genoodzaakt te verhuizen vanwege de ouderdom van de Meer, de beperkte capaciteit en commerciële mogelijkheden van het stadion plus de almaar groeiende financiële achterstand op het kapitaalkrachtige PSV. Op 14 augustus 1996 is het dan zo ver en komt AC Milan over uit Italië voor de openingswedstrijd in de gloednieuwe voetbaltempel. Ajax verliest de openingswedstrijd met 0-3. Na een moeizame start met slechte velden en dito resultaten wordt de thuisploeg langzaamaan weer baas in eigen huis.

In de jaargang 1997-1998 grijpt Ajax met Morten Olsen aan het roer de dubbel met bij vlagen oogstrelend voetbal. Behalve sterkhouders als Edwin van der Sar, Danny Blind, Jari Litmanen en Frank en Ronald de Boer zorgen onder meer Michael Laudrup en Shota Arveladze voor de juiste aanvulling van buitenaf. Ook in 2002 en 2004 laat Ajax zich kronen tot landskampioen. Ditmaal is Ronald Koeman de coach. Die schotelt de Ajax-fans in de ArenA publiekstrekkers voor als Cristian Chivu, Rafael van der Vaart en Zlatan Ibrahimovic.

Daarna volgen jaren waarin Ajax voor het thuispubliek louter een aantal keer beslag legt op de Johan Cruijff Schaal. Een kater die op 15 mei 2011 in een klap wordt weggespoeld. Het is dan de laatste speelronde van het seizoen en FC Twente heeft aan een punt genoeg voor titelprolongatie, terwijl Ajax zich bij winst verzekert van de dertigste landstitel uit de clubgeschiedenis. Hoewel het duel gelijkwaardig start, wordt Twente onaangenaam verrast door een stadion dat werkelijk uit zijn voegen barst. De Tukkers lijken zelfs geïmponeerd. Het blijkt de aanloop te zijn naar een 3-1-zege van Ajax, dat daarmee de derde ster verovert en de eerste landstitel sinds 2004. Ondanks de kampioenschappen van 2012, 2013 en 2014 staat 15 mei 2011 bij iedereen, die Ajax een warm hart toedraagt, in het geheugen gegrift.

Tekst: Ajax.nl/Coen Heil
Foto’s: Ajax Erfgoed