Vreemde spelregels bij positiespel

Geen uitlooptraining zoals gebruikelijk deze maandagochtend. Door de afgelasting van zondag stond er een volledige training op het programma van de Ajacieden. En ook nog eens een hele bijzondere: een aantal partijvormen met wel heel vreemde spelregels.

Terwijl de groep de warming-up afrondde, werden op het veld een heleboel witte dopjes neergelegd. De bedoeling was een partijtje te spelen met veel kleine doeltjes, aangegeven door de witte dopjes. Degenen die de oefening moesten uitvoeren begrepen hoe het werkte, voor de toeschouwers langs de kant was het moeilijker te volgen. Op het moment dat duidelijk was hoe de kleine doeltjes gebruikt moesten worden, schakelde de groep over naar een partijtje zonder doeltjes. Maar de plastic hoedjes bleven gewoon op het veld liggen.

Bij de volgende oefening, de dopjes waren nu weggehaald en twee grote doelen werden voor de strafschopgebieden geplaatst, verraste het trainersduo de toeschouwers opnieuw.

Rasmus Lindgren werd kort na het beginsignaal aangespeeld en snelde richting één van de doelen. Hij zette een één-twee op en liep door. De Zweed kreeg de bal terug, maar hij stond een aantal meter achter de denkbeeldige lijn waarop het doel zich bevond. Normaal gesproken gaan er dan tien paar handen van de tegenstander in de lucht , om een vrije trap te claimen. Nu speelde iedereen echter rustig door alsof er niets aan de hand was. Met een voorzet van achter het doel, over het doel, zette Lindgren het spel voort.

Pas bij de derde partijvorm werd een 'normaal' partijtje gespeeld. Tot slot van de training kregen de Ajacieden nog een leuke uitsmijter voorgeschoteld: een sprintje over de hele lengte van het veld én weer terug in veertig seconden. Én dat vier keer. Na de laatste sessie stortte aan aantal spelers van pure uitputting ter aarde. De ongewone training zat er nu echt op.