‘Zo, dat was Buenos Aires, de eerste en laatste keer’

‘Zo, dat was Buenos Aires, de eerste en laatste keer’

Jaap Visser van Kick uitgevers schrijft elke maandag een blog over de geschiedenis van Ajax. Deze week gaan we terug naar 6 september 1972, de dag waarop Ajax in het inferno van Avellaneda een voorschot neemt op het veroveren van de Wereldbeker.

Consternatie in de catacomben van het Estadio Libertadores de América waar Jaap van Praag aanklopt bij scheidsrechter Tofik Bakhramov. In de rust van Independiente-Ajax verzoekt de Amsterdamse voorzitter de leidsman uit de Sovjet-Unie dringend om zijn spelers enigszins in bescherming te nemen. Piet Keizer wil er zelfs de brui aan geven. Ajax’ aanvoerder is het trappen, knijpen en spuwen van ‘die Argentijnse dwazen’ spuugzat. Maar trainer Stefán Kovács wil niks van een staking weten. ‘Doorgaan’, zegt de Roemeen in de Amsterdamse kleedkamer, ‘kome wat komt. Desnoods met zeven of acht spelers.’

Avellaneda
Mokkend gaat Ajax verder in het inferno van Avellaneda, een voorstad van Buenos Aires. Op het slagveld van het wereldbekergevecht gaat Sjaak Swart neer na en rechtse directe in de maagstreek, loopt Horst Blankenburg een lelijke bloeding in de kuit op en hapt Johan Neeskens naar adem na een ram in zijn ribbenkast. Maar de grootste zorg aan Ajax-kant betreft Johan Cruijff wiens banden in de linker enkel volgens dokter John Rolink flink zijn beschadigd.

Het 1-1-gelijkspel dat Ajax wegsleept van het Argentijnse knollenveld mag dan alle perspectief voor de return in het Olympisch Stadion bieden, als bestuur, technische staf en spelers van te voren hadden geweten welke zware aanslag deze wereldreis op lijf, leden en gemoed zou betekenen, waren ze er opnieuw niet aan begonnen.

Net als een jaar eerder toen Ajax na het veroveren van zijn eerste Europa Cup bedankte voor de eer om het op te nemen tegen de winnaar van de Copa Libertadores, Nacional uit Uruguay. De bloederige geschiedenis van de gevechten om de officieuze Wereldbeker had Ajax huiverig gemaakt voor het Zuid-Amerikaanse geweld op het veld. Maar uiteindelijk speelde het Amsterdamse eergevoel zo sterk op dat Piet Keizer en Johan Cruijff de handschoen opnamen die hen door Independiente werd toegeworpen.

Tussenstops
Ondanks een zeventien uur lange vlucht met tussenstops op de Azoren en in het Braziliaanse Recife begint Ajax op 6 september 1972 voortvarend aan de wereldbekerklus in een macabere sfeer. Rond het veld staan tot de tanden bewapende militairen, want Buenos Aires is een kruitvat waar felle politieke tegenstellingen letterlijk voor explosiegevaar zorgen en criminele uitbarstingen aan de orde van de dag zijn.

Jan van de Panne, directeur van de Philips-vestiging in Argentinië, is vlak voor aankomst van Ajax in de Argentijnse hoofdstad anderhalve dag gegijzeld geweest en na het betalen van, naar het schijnt, een half miljoen dollar aan losgeld vrijgelaten. De kidnapping, die niet het werk van een guerrillabeweging maar van ordinaire gangsters zou zijn, maakt het Amsterdamse reisgezelschap extra alert. Zo wordt Heinz Stuy als een soort bodyguard aan wereldster Johan Cruijff gekoppeld. De potige doelman verliest het aantrekkelijke doelwit voor Argentijnen met ontvoeringsideeën geen moment uit het oog.

In smetteloos wit en met rouwbanden vanwege de Palestijnse aanslag op de Israëlische Olympische ploeg tijdens de Zomerspelen in München, betreedt Ajax ‘het stadion van de bevrijders van Amerika’, dat officieel plaats biedt aan ruim 50.000 toeschouwers. Maar voor de krachtmeting met de Europese kampioen zijn daar zeker 60.000 en misschien wel 70.000 heetgebakerde Argentijnen binnengedrongen. Volgens Het Vrije Volk zorgen die voor een ware geluidsorgie. De krant omschrijft Ajax’ eerste wereldbekerwedstrijd als ‘een nauwelijks gecontroleerde vechtpartij waar in eerste instantie Independiente voor verantwoordelijk was door zijn onmiskenbaar mindere klasse te compenseren met wild, lichamelijk geweld, opgezweept door een waanzinnig tierende menigte.’

Voorsprong
Maar Ajax, gehard in zware Europa Cup-uitwedstrijden, verblikt of verbloost niet en komt al in de vijfde minuut op voorsprong. Na een dieptebal van Arie Haan klopt Cruijff de Argentijnse verdediging op snelheid en de uitlopende keeper Miguel Santoro met een geweldige boogbal.

Die fraaie goal moet Johan wel bekopen met een serie aanslagen, waarvan nummer drie, volgens dagblad De Telegraaf ‘een achterbakse trap van achteren van linksbuiten Dante Mircoli’, hem na een half uur fataal wordt. Met een van pijn vertrokken gezicht en ondersteund door verzorger Henk de Haan sjokt Cruijff van het veld waarna de lol er voor Piet Keizer wel af is.

Ajax werpt een muur voor het eigen doel op (die één keer wordt doorboord door een afstandsknal van centrumverdediger Francisco Sa), betaalt het onbeschoft voetballende Indepentiente met gelijke munt terug, likt in de kleedkamer zijn wonden en klautert aan boord van het vliegtuig naar Amsterdam. Daarin verzucht Johan Cruijff: ‘Zo, dat was Buenos Aires, voor mij de eerste en de laatste keer.’

[Kick uitgevers is de boekenpartner van Ajax en uitgever van het zojuist verschenen Jaarboek dat een nieuwe formule heeft gekregen en zal uitgroeien tot de Ajax-Encyclopedie]

Fotobijschrift: Verzorger Henk de Haan helpt de gehavende Johan Cruijff na ‘een achterbakse trap’ van Dante Mircoli van het Argentijnse knollenveld.

KOOP HIER HET AJAX JAARBOEK

AJAX JAARBOEK - ARENA COMBI

Foto: Erfgoed Ajax