1995: Ajax - AC Milan

De busrit van Hotel Am Sachsengang naar het Ernst Happel Stadion in Wenen duurt niet langer dan een half uur. Maar in een half uur kunnen er duizenden gedachten door het hoofd spelen. De eindbestemming is de finale van de UEFA Champions League. Negentig minuten waarin het moet worden waargemaakt. Er telt maar één ding, en dat is winnen. Een ieder die in de bus zit, weet dat het kan, dat de Europa Cup gewonnen kan worden. En iedereen in de bus weet ook dat het mis kan gaan. Dat niet Ajax maar AC Milan kampioen van Europa kan worden.

De Ajacieden hebben hun vaste plaats in de bus. Frank Rijkaard zit aan de linkerkant in het midden en zijn blik glijdt over de volle invalsweg naar het centrum van Wenen. Zijn linkerhand rust op zijn knie. Dé knie. Het is een automatisch gebaar en geen zorgelijk gebaar. Hij zal spelen en hij weet als geen ander wat het is om een Europa Cup-finale te spelen. Het is niet stil in de bus. Er hangt een ontspannen spanning, de juiste spanning voor een finale. Er wordt gesproken maar de gesprekken gaan over de trivialiteiten en niet over de wedstrijd.

Geen hiërarchie
De wedstrijd zit in ieders hoofd en behoeft geen extra nadruk. Alles is doorgenomen, tot en met de zelfverzekerde houding die de Ajacieden moeten betrachten wanneer het onverhoopt tot een beslissing via strafschoppen moet komen. Niemand houdt van penalty’s, maar Italianen hebben een penaltycomplex. Het imposante stadion doemt op. Dit is het toneel van de allesbeslissende slag. De spelers dragen de koffers naar binnen. Er is geen hiërarchie. Iedereen helpt mee om de zware koffers naar de kleedkamer te slepen.


Één ploeg, in alles. Omdat de busrit minder tijd vergde dan verwacht, is Ajax vroeger dan voorzien in het Ernst Happel Stadion en de mannen van Louis van Gaal nemen op hun gemak een kijkje op de grasmat. De meeste Ajax-supporters zijn al aanwezig en begroeten hun helden op uitbundige wijze. Terug naar de catacomben. De geborgenheid van de ‘eigen’ kleedkamer. Langzaam stijgt de spanning. De scheidsrechter, een Roemeen, meldt zich in de kleedkamer en inspecteert het schoeisel. Met zijn vreugdeloze scheidsrechtersblik draagt hij Winston Bogarde op om zijn ringen met tape te omwikkelen.

In de gang voor de kleedkamerdeur goochelen Edgar Davids, Patrick Kluivert en Clarence Seedorf elkaar de bal toe. Er wordt gelachen wanneer een nietsvermoedende passant de bal tussen de benen door wordt gespeeld. De jongens ogen ‘los’, zoals dat in hun eigen jargon heet; en er is zelfs ruimte voor een amicale babbel met een in gifgroen pak gestoken Braziliaan die zonder de benodigde pasjes tot bij de kleedkamers is doorgedrongen. Is Ajax er klaar voor? Of is de ontspanning slechts een masker voor het ware gezicht?

Bodem en sfeer
Het is tijd voor de warming-up. Contact met de bodem en sfeer. De minuten tikken voorbij en terug in de kleedkamer wordt er nog gestimuleerd, vertrouwen gegeven. Daar buiten wacht de finale, daar ligt de realisatie van een droom. Ajax, in het donkerblauw, heeft de aftrap. AC Milan, in het gewenste wit, moet dus even wachten op balbezit. Maar dat komt. Ondanks het geëtaleerde zelfbewustzijn is er nervositeit voelbaar in het Ajax-spel. De Milanisti hebben geleerd van de nederlagen tegen Ajax, eerder dit seizoen.

Zij gunnen Ajax geen tijd om rustig op te bouwen en de Ajacieden, hoewel voorbereid op deze tactiek, lijden veel balverlies. Langzaam maar zeker wordt het sluimerende vermoeden tot zekerheid: dit AC Milan heeft het beste van het spel. Het balbezit van Ajax heeft geen diepgang en de offensieve daden van de Milanezen zijn gevaarlijker en de directe duels worden vrijwel zonder uitzondering door hen gewonnen. Het middenveld van Ajax legt het af tegen dat van AC Milan. Jari Litmanen wordt overtroefd door Marcel Desailly en Seedorf en Davids houden de bal te weinig in de eigen rijen.

Ajax zucht en steunt, de aanhang zucht en steunt mee. Door het gebrek aan eigen macht wordt de onvoordelige arbitrage van Ion  Craciunescu op pijnlijke wijze duidelijk. Ook daarop was gerekend maar irritatie over ’s mans eenzijdige fluiten is onvermijdelijk en verleidt Louis van Gaal zelfs tot een spectaculaire act aan de zijlijn. Wanner Craciunescu na een overduidelijk geval van gevaarlijk spel van Desailly doodgemoedereerd voor een fout van Ajax fluit, maakt Louis in woord en - vooral - gebaar zijn misgenoegen duidelijk.

Karateka
Als een volleerd karateka vliegt hij door de lucht om te laten zien wat de werkelijke toedracht was. Het hulpje van de scheidsrechter roept Craciunescu te hulp en Van Gaal mag blij zijn er met slechts een vermaning vanaf te komen. Ajax is blij met de rust. Het staat nog 0-0 maar Milan heeft psychologisch voordeel.

Tijdens de rust gaat het er in de kleedkamer van Ajax fel aan toe. Frank Rijkaard laat zich van zijn fanatiekste kant zien en horen en zegt met stemverheffing wat er fout gaat en wie er beter moet doen. In zijn stem klinkt de verbetenheid van een winnaar, van een man die koste wat het kost niet wil verliezen. In elk geval geen finale want, weet hij uit ervaring, niets is erger dan een finale te verliezen. De woorden van de meester zijn niet mis te verstaan en schokken hun felheid. Hij doet het omdat het nu nodig is.

Nooit eerder was Rijkaard  meer leider dan nu. In de tweede helft is Rijkaard het referentiepunt van Ajax. Het wedstrijdbeeld kantelt naar balans. Langzaam maar zeker neemt Ajax de helderheid van AC Milan over, het balbezit duurt langer en is overtuigender. Wanneer Van Gaal Seedorf wisselt voor Kanu keert de echte Ajax-overtuiging terug. Ronald de Boer kiest positie op het rechtermiddenveld en Kanu laat in de spits zien voor niemand bang te zijn.

Laatste troef
Twintig minuten voor tijd zet Van Gaal zijn laatste troef in. Litmanen maakt plaats voor Patrick Kluivert. Twee achttienjarigen in de spits, Ajax gokt. De Italiaanse vlam dooft. Heeft de ploeg van Capello teveel energie verspeeld in het eerste bedrijf? Steeds makkelijker gaat de bal van Ajax-voet naar Ajax-voet. Rijkaard is het inspirerende rustpunt. Hij waagt zich soms ook naar voren, als om zelf de beslissing te forceren.

86e minuut. Men praat al over verlenging, men vreest reeds de penaltyserie, het akeligste einde van een Europa Cup-finale. Op het veld rukt Ajax weer op. Davids brengt Rijkaard in balbezit en die penetreert het strafschopgebied van zijn vroegere club. De pass op Kluivert lijkt een vraag om een één-twee. Kluiverts balaanname is perfect. Hij snijdt in een beweging een tegenstander de weg af en doet twee, drie stappen naar het doel. Rechts van hem tackelt Zvonimir Boban en beroert de bal, weg van Kluiverts rechtervoet maar voor diens linker.

Hij kan slechts reiken met de punt van zijn schoen en reikt en raakt en.. scoort! Een twintigtal seconden vermengen realiteit en fantasie zich. Wat is waar, wat is verbeelding? Ajacieden rennen als wildemannen naar iets ongrijpbaars en vinden tenslotte houvast bij elkaar. Supporters vliegen elkaar brullend om de hals, het ongeloof over wat Kluivert zoëven heeft gedaan verliest het van het besef dat Ajax de Europa Cup gaat winnen.

‘Ik heb ‘m, ik heb ‘m’
De laatste vier minuten duren acht minuten volgens het uurwerk van Craciunescu en twintig minuten voor het gevoel van de Ajax-fans. Rijkaard wordt rots in de branding. Onoverwinnelijk. De andere Ajacieden volgen hem in onverzettelijkheid. Danny Blind maakt bijna nog 2-0 en dan blaast de Roemeen af, eindelijk, eindelijk! De Ajax-ontlading is onbeschrijfelijk. ‘Ik heb ‘m, ik heb ‘m, ik heb ‘m’, schreeuwt Frank Rijkaard. Zijn nieuwe dollemansren eindigt in de armen van even gelukkige ploeggenoten.

Iedereen pakt elkaar vast, wisselspelers, tribunezitters, trainers, allemaal helden, ze juichen, ze gillen, ze roepen. Tranen spatten uit de ogen van de jongste kinderen van Ajax. Ze weten het, maar ze beseffen het niet: daar aan de zijlijn, dat grote glanzende ding, de Europa Cup, hij is van ons!